Het stappenplan

Om uit een situatie te raken die al jarenlang vastzit, moet je soms je ongeduld in toom houden en elke kans tot vooruitgang – hoe bescheiden ook – aangrijpen om zo stap per stap het vooropgestelde doel trachten te bereiken. Die methode staat bekend als het stappenplan. Jean Monnet en Robert Schuman hebben die kort na de Tweede Wereldoorlog aangewend om de Europese Unie uit de grond te stampen, Richard Nixon en Henry Kissinger om de gespannen relatie tussen de VS en China tijdens de Koude Oorlog te ontdooien en daarop aansluitend maakt ook het Platform voor de Samenlevingsdienst hiervan gebruik om de Samenlevingsdienst in België een institutioneel karakter te geven ;-)

De situatie is de volgende: op het colloquium over de Samenlevingsdienst dat op 15 en 16 mei 2017 in de Senaat plaatsvond, had de vertegenwoordiger van het kabinet De Block aangekondigd dat de minister een statuut voor jongeren in Samenlevingsdienst wou voorzien in het kader van een breder wetsontwerp over “vrijetijdswerk / travail de temps libre”. Daarmee bood ze een wetgevend antwoord op het recente politiek-mediatieke debat in Vlaanderen en op het lobbywerk van het Platform. “Na het colloquium kon niemand zich nog tegen de SLD verzetten”, vertrouwde haar adviseur ons toe. Dit wetsontwerp zou al in januari 2018 in het parlement gestemd moeten worden.

Het wetsontwerp

Dit wetsontwerp “vrijetijdswerk” wil de grijze zone die vandaag bestaat tussen vrijwilligerswerk en reguliere arbeid omkaderen door een nieuw, zogenaamd “semi-agoraal” statuut in te voeren. Dat statuut biedt mensen die nu al minstens 4/5de tijds werken en gepensioneerden de mogelijkheid om tot € 6.000 per jaar onbelast bij te verdienen voor een reeks activiteiten bij verenigingen of particulieren. Bij koninklijk besluit is een lijst van activiteiten vastgelegd die in aanmerking komen, verdeeld in drie categorieën: (1) verenigingswerk, (2) diensten tussen burgers en (3) deeleconomie.

In deze wet staat evenwel een alinea die twee uitzonderingen voorziet op de voorwaarde van 4/5de tijds werken of pensioen: (1) het reactiveringstraject van werkzoekenden en (2) het traject van jongeren in Samenlevingsdienst. Als de Samenlevingsdienst dus voldoet aan de voorwaarden van de wet, zouden jongeren in Samenlevingsdienst dus kunnen overstappen van het (veeleer ongeschikte) vrijwilligersstatuut in de zin van de wet van 2005 naar het semi-agorale statuut met alle implicaties die daarbij horen, voornamelijk op het vlak van vergoedingen en duur van het programma.

Wat staat er op het spel?

Eerst en vooral betekent die bepaling over de Samenlevingsdienst helemaal niet dat er een specifiek wetsontwerp gewijd wordt aan de Samenlevingsdienst. Er wordt immers vrijwel niets gezegd over de definitie van de Samenlevingsdienst (enkel dat het gaat om een programma voor jongeren dat hoogstens een jaar mag duren) en al zeker niets over de institutionele vorm en de vereiste financieringen. De institutionalisering van de Samenlevingsdienst is dus nog een verre droom.

Voorts legt het wetsontwerp de definitie, uitvoering en financiering van het programma in handen van bij decreet bepaalde accrediteringsinstellingen en schuift zo de verantwoordelijkheid weg van het federale niveau. Bovendien houdt die doorverwijzing naar de deelstaten een groot risico op gewestelijke verschillen en institutionele en administratieve complexiteit in.

Tot slot is er totnogtoe niets geregeld opdat jongeren in Samenlevingsdienst vrijgesteld zouden worden van de verplichting om werk te zoeken. Ook daar stelt de regering eens te meer dat dit een gewestelijke bevoegdheid is. Zou men toch niet op z’n minst de betrokken instanties tot actie kunnen aanmanen? Want met uitzondering van Brussel, waar na tussenkomst van minister Didier Gosuin een akkoord met Actiris werd bereikt, is er op heden geen enkel uitzicht op een akkoord met de VDAB en de Forem. Dat zorgt voor heel wat administratieve rompslomp voor jongeren in Samenlevingsdienst en sommigen kunnen niet anders dan hun programma teleurgesteld maar gedwongen onderbreken.

Zo is er bijvoorbeeld het geval van de 24-jarige A. die in een opvangcentrum voor asielzoekers van het Rode Kruis haar Samenlevingsdienst uitvoerde. Nadat ze lang geen werk kon vinden, was A. in een langdurige, zware depressie gesukkeld. In september 2017 wist ze toch al haar moed bijeen te rapen en begon met een Samenlevingsdienst. Heel snel kwam er ze weer bovenop. Ze wist zich perfect in het team te integreren, nam het initiatief om naai-ateliers voor vrouwelijke vluchtelingen te organiseren en sprong bij in duizend-en-één taakjes. Ze herwon zienderogen haar zelfvertrouwen en begon zelfs het plan te koesteren om met haar eigen naai-atelier te starten… tot de Forem haar liet weten dat de Samenlevingsdienst geen geldig activeringstraject vormde en ze die dus moest stopzetten om weer cv’s te gaan versturen. Vandaag is ze dus noodgedwongen en zonder veel bezieling weer aan het solliciteren voor jobs waar ze nauwelijks in gelooft.

Wanneer zullen dergelijke toestanden eindelijk ophouden en hoeven we niet meer te zien hoe het enthousiasme van actieve, sociaal geëngageerde jongeren, in volle persoonlijke en professionele wasdom, plots geknakt wordt? En dat terwijl 83% van de jongeren die een Samenlevingsdienst afmaken binnen de zes maanden een opleiding begint of een baan vindt! – Méér dan de meeste gespecialiseerde programma’s voor socioprofessionele herinschakeling.

Zo valt er bij dit wetsontwerp toch wel vaak een “maar” te noteren! Er zijn echter ook positieve punten. Eerst en vooral zijn er de reeds genoemde voordelen van het statuut: de mogelijkheid van hogere vergoedingen, wat de Samenlevingsdienst ook openstelt voor minder begoede jongeren, en van een langere duur. Dit is meer dan welkom want zo worden vrijwilligerswerk in strikte zin (d.w.z. in de zin van de wet van 2005) en het engagement in het kader van een SLD duidelijker uit elkaar gehouden. Al jaren wordt de Samenlevingsdienst immers onterecht met de vinger gewezen omdat dit zogezegd geen echt vrijwilligerswerk is aangezien de jongeren een vergoeding krijgen. Maar de Samenlevingsdienst heeft nooit het tegendeel beweerd! De Samenlevingsdienst is een specifiek project – een langdurig (6 maanden) voltijds engagement, een nieuw sociaal contract tussen een samenleving en haar jongeren – dat een eigen juridische erkenning, institutionele organisatie en financiering vereist. En in die richting wordt vandaag door de federale regering een stap(je) gezet.

Naast die juridische vooruitgang op federaal vlak beginnen ook de gewestregeringen zich eindelijk beetje bij beetje te engageren. In Brussel wordt de Samenlevingsdienst sinds 2014 door minister Gosuin gesteund. In Wallonië wordt die steun sinds 2016 door ministers Colin en Prévot / Greoli uitgesproken en komt de SLD sinds 2017 ook in de beleidsverklaring van de gewestregering ter sprake. In Vlaanderen zijn zowel minister Gatz als het project ESF Vlaanderen en de stad Mechelen met burgemeester Bart Somers voorstander. Zo bevestigen diverse ministers hun vertrouwen in het Platform en ondersteunen ze de operationele ontwikkeling van ons project. Dat is goed nieuws!

Conclusies en vooruitzichten

Tot besluit herhalen we dat de Samenlevingsdienst met dit wetsontwerp nog steeds niet “binnen” is. Het gaat vooral om een juridische opening die nog politieke invulling moet krijgen.

Die traagheid en de vele tekortkomingen zijn des te frappanter als we zien hoe bij onze noorderburen, waar tot voor kort niets in de zin van een Samenlevingsdienst bestond, de nieuwe regering van Mark Rutte eind 2017 meteen besloot om een programma van “maatschappelijke diensttijd” voor jongeren in te voeren. Onmiddellijk werden de krachtlijnen van het programma vastgelegd met een bijhorend budget voor verdere uitbouw dat kan oplopen tot 100 miljoen euro! Van een sterk signaal vanwege een regering naar haar jongeren gesproken…

Zo voegt Nederland zich bij de lange lijst van Europese landen die sinds de eeuwwisseling ambitieuze programma’s hebben uitgewerkt: in Duitsland nemen ieder jaar 101.000 jongeren deel aan de Bundesfreiwilligendienst en aanverwante programma’s; in Frankrijk hebben 95.000 jongeren zich in 2016 voor de Service Civique ingezet; in Italië namen 45.000 jongeren deel aan de Servizio Civile Nazionale… In vergelijking daarmee slaat België maar een mal figuur.

Het Platform zal er wel degelijk alles aan doen om de dames en heren politici op federaal niveau en in de drie gewesten van het land te herinneren aan hun engagementen en verantwoordelijkheid op dit vlak. Maar net als de vaders van Europa en de grote diplomaten vóór ons moeten we ook blij zijn met elk stapje vooruit. Met veel volharding zullen we ons doel bereiken. Stap(je) per stap(je)…

Alban van der Straten,
Belangenbehartiger